Historiek

Historiek

Voorgeschiedenis 

Terbank was oorspronkelijk een lazarije of gasthuis voor melaatsen. Dit werd reeds in 1267 defenitief gesticht door Hendrik I, hertog van Brabant, dicht bij Leuven buiten de Brusselse Poort. Volgens sommige historici zou dit reeds in 1197 bestaan hebben. De stichting zou geschied zijn voor het jaar 1203. Een oorkonde van het bisdom Luik, ondertekend door Hugo bij-bisschop van Luik en Guido, apostolische nuntius, bevestigd de exempties gegeven aan de stichting als gift ook nog 12 bunders bos te Wenekelzele (winksele) in mei 1217. Er werkten daar 9 broeders en 9 zusters en, zoals bepaald ver door een brief van Paus Honorius III van 20 januari 1223, was de abt van Villers hun geestelijke bestuurder. ze volgden de regel van St. Augustinus. 

De naam Terbank vindt zijn oorsprong in deze leprozenstichting. Als men van iemand vermoedde dat hij melaats was, dan moest de stad of de parochie hem voor een soort tribunaal of bank (rechtbank) brengen, om te weten of hij/zij definitief in het gasthuis moest blijven. Die bank in het gasthuis was samengesteld uit de priorin en de drie oudste religieuzen van het klooster. Zo ontstond de benaming: ter bank gaan. 

In het begin van de jaren 1300 vertrokken de broeders uit Ter Bank en bleven de zusters alleen. In 1578 werd het klooster in brand gestoken door de Bourgondische soldaten die vochten onder Jan van Oostenrijk. In 1604 kon het terug bewoond worden maar in 1635 was er weer veel schade door het beleg van de stad Leuven.  In het midden der 17e eeuw werd alles herbouwd. 

De priorij van Terbank werd afgeschaft door Jozef II op 26 april 1783. Het klooster werd verkocht, op 22 januari 1787 en kort daarna werd de kerk afgebroken. Tweemaal kwamen de zusters terug: in 1792 en in 1795 maar werden weggejaagd door de Fransen op 23 november 1796. Alhoewel ze hun klooster terug kochten door een tussenpersoon, de heer Van Hemelrijck, op 19 juni 1802, was er geen mogelijkheid meer de priorij te herbeginnen, zodat alles met toestemming van de laaste priorin werd overgemaakt aan de familie Mauroy de Merville. Die zou alles in eigendom hebben tot 1858.

Hoe wordt Terbank klooster van de Dominikanessen?

In 1858 kwamen er enkele Dominikanessen naar Leuven door het toedoen van Juffrouw Julia Van der Schriek. Deze juffrouw, reeds derde ordelinge van Sint Dominicus, wilde opnieuw een klooster van Dominikanessen te Leuven. Met medewerking van pater Provinciaal Rouard de Card en Pater Generaal Jadel kwamen die zusters uit de congregatie van H. Catharina van Sienna te Bonnay (Frankrijk). Ze vestigden zich in de Rattemanspoort (Parijsstraat). In juli 1858 sloten zich zeven Belgische zusters bij de vijf Franse zusters aan, onder wie van het H. Kruis. de bedoeling was zieke en gebrekkige kinderen te aanvaarden. Men moest spoedig meer plaats hebben en zo werd op 2 januari 1859 terbank aangekocht met 3 hectaren grond, van de familie de Meville; Op 6 oktober 1859 kwamen de zusters uit Leuven naar de Priorij. Er werd een aanvang gemaakt met het bouwen van een klooster en een kerk.

 

 

 

 

 

 

 

 

Daarvoor had de hertog van Arenberg met de Franse zusters een financieel akkoord van lening gesloten. Dit akkoord verviel in 1874. Zuster Maria Dominica stierf in september 1861. Er waren reeds moeilijkheden begonnen. Waarom moest Terbank afhangen van een Franse Congregatie? De familieleden van de Belgische zusters waren daarover ontevreden. Men begon financiële overeenkomsten, die gemaakt waren met de Franse Congregatie, te verbreken. Maar tegelijkertijd was er ook tegenwerking vooral van de liberale zijde. Zes van de Belgische zusters gingen weg, wat tot gevolg had dat de familie hun bruidschat terug eiste en er grote armoede was te Terbank. 

Anticlerikale bladen van Leuven schreven scherp tegen de zusters, vooral tegen de Franse zusters. We lezen daarover in de "Godsdienstige week van Gent". 
De toestand kon zo niet blijven en als raadgever van de H.Harten te Leuven, een oplossing. Het kwam tot een akkoord met de zusters Dominikanessen van Engelendale te Brugge.

De Zusters van Engelendale in Terbank

In mei 1874 werd beslist Terbank te kopen. Dit ging nog niet zo gemakkelijk omdat de bisschop van Brugge wilde dat de Zusters in zijn bisdom bleven en hij vroeg nog wat bedenktijd. In augustus geeft hij zijn toestemming tot de koop. September ging voorbij met besprekingen, ook met de aartsbisschop van Mechelen. Er moest toch haast gemaakt worden want de "Duc" (Duc Englebert, hertog van Arenberg) zou van gedachten kunnen veranderen. De verkoopakt met Engelendale werd gesloten op 12 oktober 1874. In november 1874 was dan alles in orde en de eerste zusters, uit het Sint-Dominicusgesticht, gingen naar Terbank. De Franse zusters keerden naar Bonnay terug. Pater Vincke zou dan tot aan zijn overlijden in 1875 directeur zijn. 

De zusters begonnen met het apostolaat van de Franse Zusters, namelijk de verzorging van oude dames. Dit werk zou blijven tot oktober 1919. Mechelen geeft toelating, in november 1919, in Terbank een wezenhuis voor meisjes in te richten. Men was niet gelukkig met die onderneming van een wezenhuis en men sluit zich aan bij het werk van Berg Thabor, om zwakke kinderen aan te nemen en ook kinderen in schoolverlof als kolonie. Dit in 1922. 
Dat apostolaat zou blijven tot in 1957. Men moest dikwijls, wegens het grote aantal kinderen, de hulp vragen van vrijwillige zusters.

De school Ter Bank

De school Ter Bank was in 1971 gestart als een katholieke lagere school voor verstandelijk gehandicapte kinderen tot 14 jaar, die tot 18 jaar de vierde graad konden blijven volgen. De rationalisatie van 1974 beperkte de doelgroep van de school Ter Bank tot kinderen en jongeren met een matig of ernstig verstandelijke handicap. De school kreeg haar definitieve structuur na het KB van 1978 betreffende de typologie en de opleidingsvormen van het buitengewoon secundair onderwijs. Het werd een school voor buitengewoon onderwijs type 2 met twee afdelingen: het kleuter- en lager onderwijs en het secundair onderwijs.

Het buitengewoon kleuter- en lager onderwijs 

Na de splitsing van school en internaat bestond de school uit acht klassen, waaronder twee vierde graadklassen. Heel vernieuwend was dat de school zich openstelde voor meisjes, die samen met de jongens in dezelfde klas zaten. de klasindeling was gebaseerd op het ontwikkelingsniveau met gemiddeld 14 kinderen per klas. Voortaan waren er enkel nog lekenleerkrachten werkzaam. Opvallend was dat men de kinderen en jongeren met een ernstig verstandelijke handicap situeerde op het niveau van kleuters. Hun klassen werden "lagere" klassen functionerend op "kleuterniveau" genoemd. Pas later integreerde men deze klassen in het lager- en secundair onderwijs. Toen in 1978 het buitengewoon secundair onderwijs type 2 definitief werd erkend, werd de kleuter- en lagere school een aparte entiteit met een eigen directie. Sinds 1 oktober 1986 neemt J. Wijnants deze functie waar. De vierde graad werd in heel Vlaanderen afgeschaft en dankzij een nieuwe wetgeving konden kleine klasgroepen met een gemiddelde van 7 à 8 leerlingen worden samengesteld. Hierdoor was een meer individueel en gerichter onderwijs mogelijk. Het aantal uren voor paramedici (logopedie,psychomotoriek) verdubbelde, wat betere mogelijkheden bood voor individuele therapieën. 

Een van de problemen van de school Ter Bank was dat het oude gebouw sommige ouders afschrikte. Na een grondige renovatie, die in 1991 werd beëindigd, nam het aantal leerlingen sterk toe. Binnen de populatie is de toename van het aantal kleuters, het aantal kinderen met het syndroom van Down (ongeveer 30%) en het aantal kinderen met autisme (ongeveer 15%) opvallend. 

Doorheen de jaren zocht men naar aangepaste vormen van onderwijs waardoor de kleuters en lagere schoolkinderen zich binnen hun mogelijkheden zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Het onderwijzend personeel wordt hierin bijgestaan door een paramedisch team van logopedisten, kinesisten, een sociaal verpleegkundige en een kinderverzorgster. In het buitengewoon kleuteronderwijs ligt de klemtoon op het uitbreiden van de taal in een zo ruim mogelijke betekenis, op de zelfredzaamheid wat betreft zindelijkheid en lichaamsverzorging en op de motorische vaardigheden. Ook aan spel, sociale omgang en voorbereiedende schoolse activiteiten wordt ruime aandacht besteed. De methodiek van het ervaringsgericht kleuteronderwijs en de ideeën rond samenwerking met gewone scholen zijn belangrijke recente invalshoeken. Binnen het buitengewoon lager onderwijs wordt nagegaan in hoeverre het kind kan komen tot de typische schoolse activiteiten als lezen, rekenen en schrijven. De computer deed hierbij zijn intrede. Daarnaast komen handvaardigheden, huishoudelijke activiteiten en lichamelijke opvoeding ruim aan bod. Zelfstandigheidstraining, communicatie en socialisatie blijven hun plaats behouden. Afhankelijk van de individuele mogelijkheden -die van kind tot kind sterk kunnen verschillen- wordt een aangepast leef- en leerprogramma aangeboden.

Het buitengewoon secundair onderwijs 

Tot 1973 was er in de regio geen school voor buitengewoon secundair onderwijs voor jongeren met een matig of ernstig verstandelijke handicap. Daarom werd op Ter Bank gestart met een proefjaar buitengewoon technisch onderwijs, voorbereidend op het werk in een beschutte werkplaats. Het begon met één klas van tien leerlingen. Mede door de regionale rationalisatie waren er het volgend schooljaar reeds vier klassen. Deze grote stijging van het aantal leerlingen en de andere inhoud van het onderwijs maakten verbouwingen noodzakelijk. In 1975 werden daarom een aantal voormalige leefruimten van het MPC tot klassen, werkplaatsen en ateliers omgebouwd. In 1978 werd binnen het type 2 onderwijs op secundair niveau een onderscheid gemaakt in twee opleidingsvormen. Deze opsplitsing was belangrijk omdat de finaliteit van de leerlingen grondig verschilde. De eisen die in een beschutte werkplaats worden gesteld, konden immers niet door alle leerlingen worden bereikt. Opleidingsvorm 1 bereidt jongeren met een ernstig verstandelijke handicap voor op een beschermd leefmilieu. De klassen tellen gemiddeld zeven leerlingen. Van bij de aanvang koos men voor een livingsysteem. Dit betekend dat in de klas een keuken, een zithoek, een eettafel, een werktafel enz. geïntegreerd zijn. De jongeren kunnen ook gebruik maken van een snoezelruimte en een speel-o theek. 

Op inhoudelijk vlak werd een hele weg afgelegd. Zo werd wat betreft Vlaanderen in Ter Bank in 1981 de eerste inventaris gemaakt van de doelstellingen van wat "levensscholing" werd genoemd. Het is een bezinning en een correcte uitwerking van wat er binnen het onderwijs aan jongeren met een ernstig verstandelijke handicap aan bod kan komen om deze jongeren voor te bereiden op een gewaardeerd leven in een beschermd leefmilieu. De doelstellingen van het onderwijs zijn ingedeeld in vijf hoofdrubrieken: - zelfredzaamheid, communicatie via de gesproken en niet gesproken taal, socialisatie en geloofsopvoeding, handvaardigheid en vrije tijdsbesteding, bewegingsopvoeding en psycho-motorische stimulatie. Naargelang de mogelijkheden van de jongeren krijgen deze rubrieken een eigen accent. Doorheen alle lessen wordt zeer veel aandacht besteed aan attitudes en omgangsvaardigheden die de integratie in het maatschappelijk leven bevorderen. 

Opleidingsvorm 2 biedt een voorbereiding op het werk in een beschermd arbeidsmilieu en bestaat uit twee fazen. In de eerste faze die uit drie leerjaren bestaat, worden naast algemene sociale vorming eenvoudige technische vaardigheden bijgebracht. De tweede faze omvat twee leerjaren en legt het accent op een arbeidsgerichte vorming die de jongeren technisch en inhoudelijk opleidt voor hun toekomstig werk. Hierin zijn stages in een beschutte werkplaats inbegrepen. Ook hier stond Ter Bank aan de wieg van het uitschrijven van de "raamplannen voor opleidingsvorm 2". De voornaamste aspecten van het eigen leven, het wonen, de vrijetijdsbesteding en het werken werden gebundeld in een programma. De opleiding bestaat uit de volgende onderdelen: - algemene en sociale vorming; arbeidsgerichte vorming; huishoudelijke scholing; bewegingsopvoeding; geloofsopvoeding en muzikale opvoeding.

Specifieke ontwikkelingen binnen het onderwijs

In 1983 verscheen het boek Mensen die niet kunnen spreken, hebben heel wat te zeggen. Kinderen en jongeren die zich verbaal niet kunnen uitdrukken, willen ook wel iets vertellen. Daarom ontwikkelden de logopedisten een systeem voor "totale communicatie" dat in Vlaanderen en nederland bekend staat als "de prenten van Ter Bank". Van zoveel mogelijk woorden maakte men een uniforme tekening, die herkenbaar was voor de meeste kinderen en jongeren met een ernstig verstandelijke handicap. Deze tekeningen kunnen gebruikt worden om iets aan te duiden, iets te vertellen, een verhaal te maken, een verhaal te lezen... Kortom de kinderen en de jongeren krijgen een aangepaste spreek- schrijf- en leestaal. Momenteel is het uitgegroeid tot een computerondersteunend systeem van 2000 prenten, beheerd door de BETA-vzw (Sergeystraat 59, 3020 HERENT). Naast de prenten voor totale communicatie, werd ook een eigen gebarensysteem ontwikkeld, enerzijds om taal te ondersteunen, anderzijds voor de kinderen zonder taal. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In Vlaanderen zijn er heel wat personen met een verstandelijke handicap en autisme. Deze dubbele handicap vraagt een heel specifieke aanpak met extra middelen opdat ook deze kinderen zouden kunnen leren. De methode TEACCH (Treatment and Education of Autistic and related Communication handicapped Children) die daartoe werd ontwikkeld kreeg ook vaste voet in Ter Bank. In 1986 werd Ter Bank pilootschool voor Vlaams Brabant. Ondanks de succesvolle evolutie van de leerlingen in het leren van vaardigheden en in sociaal gedrag, stopte het ministerie de betoelaging van het project. Op Ter Bank bleven aangepaste klassen bestaan zowel op niveau van het lager als van het secundair onderwijs. Op dit ogenblik overteft de vraag naar specifiek onderwijs voor kinderen met autisme trouwens het aanbod binnen de school. 

Van bij de aanvang benadrukte de school het belang van de betrokkenheid van de ouders. Met de ouders van de interne leerlingen die vaak buiten de onmiddelijke omgeving kwamen, was er aanvankelijk maar wienig contact. Met de komst van de externe leerlingen in 1971, veranderde het beleid van de school naar de ouders toe. De ouders worden niet alleen uitgenodigd op de traditionele oudercontacten en opendeurdagen, ze kunnen ook aanwezig zijn op de klassenraden. Op de klassenraad bespreken de ouders samen met de leerkrachten en de therapeuten in detail de vorderingen van hun kind. "Alleen samen met U maken we het waar" is dan ook de slagzin in de onthaalbrochure voor ouders. 

Afdrukken E-mail